‘Hij is niet als andere gevoelens’. Haat is primitiever, heeft een meer primair karakter en eist altijd het primaat op. Het is een overheersend en blijvend gevoel, sterker dan alle andere, de liefde incluis. In haar gedicht uit 1993 beschrijft de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Wislawa Szymborska haat als een roofdier, altijd klaar om zijn prooi te overvallen, als de atleet die de marathon kan lopen, maar ook de sprint weet te winnen. De haat is vitaal en energiek, onvermoeibaar en onverzadigbaar. Er is een ethiek van de haat, die voor het lelijkste en slechtste toch de religieuze, politieke, etnische of historische rechtvaardiging garandeert. Er is zelfs een esthetiek van de haat, die geniet van de schoonheid van het geweld en zich verlustigt in het aangedane leed. Haat wordt niet alleen gekoesterd, maar koestert zich ook zelf. Haten gaat van ganser harte.
Haat is wat de Tweede Wereldoorlog meer dan wat ook onderscheidt van de Eerste, wat Hitler zo anders maakt dan Mussolini en wat miljoenen Joden en uiteindelijk meer dan zestig miljoen mensen het leven heeft gekost. Haat is wat vijftien jaar geleden de Joegoslaven uiteenjoeg en honderdduizenden Rwandezen het leven heeft gekost.
Haat is ook wat de IRA in Noord-Ierland bewoog en nog onlangs de bevolking van de Molukken splijtte, wat in Duitsland de kleine Baader-Meinhof Groep tot een nationaal gevaar wist te maken en wat nu in de voetsporen van Al Qaida in Nederland van radicaliserende moslims gevreesd wordt.
De moord op Pim Fortuijn was een kille afrekening, de moord op Theo van Gogh getuigde en wilde getuigen van een diepe haat tegen een samenleving waar je je niet aan kunt onttrekken en toch ook geen deel meer van uit wilt maken. Haat maakt de ander tot een vreemde en een vijand. Zoals bij de liefde het leven hoort, zo hoort de haat bij de dood.
Veel, te veel van de doden die wij vandaag herdenken zijn niet gevallen in de strijd tegen de vijand of omgekomen bij oorlogshandelingen en bombardementen, maar gewoon vermoord om wie zij waren: jood, psychiatrische patiënt, verstandelijk gehandicapte, zigeuner, homoseksueel, marxist. Dit maakt dat de dodenherdenking van de vierde mei nooit alleen een herdenking is van wie voor het vaderland in de strijd is omgekomen, maar altijd ook een herdenking is van de slachtoffers van misdaden tegen de menselijkheid. Het ging niet om de uitbreiding van macht, om meer land of om de beslechting van een conflict, maar om de uitleving van een redeloze en mateloze haat tegen wat zwak- ziek en vooral anders was. Dat maakt dat er in de herdenking zo weinig ruimte, voor de in de strijd gevallenen onvermijdelijk te weinig, is voor een gevoel van dankbaarheid voor de bereidheid voor het vaderland het eigen leven op het spel te zetten. De erkenning is er wel en natuurlijk het verdriet van de nabestaanden, ook na zestig jaar nog, maar wat overheerst is toch vooral een gevoel van schaamte en schuld, van verbijstering over wie slachtoffer kon worden en van angst over de kans op een herhaling.
Alles is dan ook gedaan om juist die kans kleiner te maken. Zestig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is de democratie hechter gevestigd dan ooit en is de gevoeligheid voor iedere vorm van ongelijkheid en discriminatie, voor ieder zweem van racisme of seksisme, bijna tot een reflex geworden. Nooit meer oorlog is ook nooit meer Auschwitz, nooit meer dictatuur is ook nooit meer vervolging en onderdrukking. De lessen van het verleden zijn geleerd. Want wel zijn oorlogen en ook ‘ethnic cleansing’ en zelfs genocide niet uit de wereld verdwenen, maar in ons deel van de wereld zijn ze toch achter verre grenzen komen te liggen, in de met bondgenoten gedeelde doelen van vredesmissies, die eindigen in gerechtelijke procedures tegen de aanstichters en uitvoerders van het kwaad. Zij zijn geen helden en geen patriotten meer, geen grote generaals of bevlogen leiders van hun volk, maar misdadigers van het ergste soort. Ze worden niet verslagen en vallen ook niet op een zelf verzonnen veld van eer, maar ze worden vervolgd, berecht en veroordeeld. Sine ira et studio, zoals de Romeinen tweeduizend jaar geleden al zeiden, zonder haat en zonder haast, maar met de wet in de hand en uit naam van al degenen die door hun toedoen van het leven, van familieleden en van vrienden zijn beroofd.
Bij het begin van het nieuwe millennium, nu vijf jaar geleden, leek het even of, in de beroemde woorden van Francis Fukuyama, de geschiedenis tot een einde was gekomen. De toekomst zag er rozig uit, de grote politieke tegenstellingen leken verdwenen en velen, zeker in Nederland, verwachtten zelfs een lange periode van toenemende welvaart en blijvend welzijn. Het pakte allemaal anders uit, de aanslag op de Twin Towers in New York op 11 september 2001 was het bewijs dat ook een stralend blauwe hemel snel verduisterd kan worden. Pogingen om de aanslag te zien als een oorlogsverklaring van het ene land – Afghanistan? Irak? – aan het andere, faalden uiteindelijk. Het ging niet meer om een oorlog tussen landen, maar om een oorlogsverklaring aan andersdenkenden en anderslevenden. Het ging om haat, gerechtvaardigd door het niets en niemand ontziende gelijk van het eigen geloof, en opnieuw waren het burgers, nu juist gewone burgers, die het leven moesten laten. In de Verenigde Staten duizenden, in Spanje honderden, in Nederland één. Niet het getal verraadt het gevaar, maar de kans ongewild en ongeweten het doelwit te kunnen zijn van iemand die desnoods met zichzelf als wapen een daad wil stellen. Terreur is erger dan oorlog en kan daarom zoveel kleiner blijven. Geen loopgraven, bombardementen of veldslagen, geen militaire activiteit, geen vreemde soldaten, maar ontregeling van het burgerlijk bestaan van binnenuit, ondermijning van het vertrouwen in de zekerheid van het dagelijkse leven, op een onverwacht moment en een onverdachte plek.
Waar de gemoedsrust verdwijnt, sluipen angst en wantrouwen binnen. De toon wordt bits, de houding vijandig. Goede bedoelingen worden niet meer verondersteld, maar moeten steeds weer bewezen worden. Het detectiepoortje is de triomfboog van de haat. Met lege handen en niets in de zakken gaan we er steeds weer doorheen, veiligheid veinzend maar vijandigheid voelend. Haat roept haat op en dat is precies wat haat beoogt. We herdenken vandaag dat het zestig jaar geleden gelukt is die uiterste verleiding te weerstaan en de vijand van toen te helpen bij de terugkeer in de kring van de beschaafde naties. De omstandigheden zijn nu anders en het goede antwoord is nog niet gevonden. Dat zal ook niet gemakkelijk zijn, want in de wedloop van de haat ‘sukkelen’ in de woorden van Wislawa Szymborska ‘die andere gevoelens’: twijfel, medelijden en broederschap. Toch, ‘hoe goed in vorm in onze eeuw de haat’ ook is, alleen met tolerantie, solidariteit en democratie kunnen we ‘de toekomst met een gerust hart tegemoet’ zien. Wij allen.
Paul Schnabel
herdenkingstoespraak op 4 mei 2005 in de Domkerk te Utrecht
bij het gedicht ‘Haat’ van Wislawa Szymborska
(zie Urgente Actie mei 2006)

