OP 17 MAART 2007
DOOR DE VOORZITTER DHR. ANTOON VAN HOOFT
In de naam ACAT staat het begrip ‘martelen’ (Torture) expliciet genoemd. ACAT staat voor Aktie van Christenen voor Afschaffing van Martelen. De Nederlandse afkorting zou dus kunnen luiden ACAM. Naderhand is daar de doodstraf bijgekomen. In het Frans, ‘peine de mort’.
Wij zijn dus een vereniging die expliciet strijd tegen martelen en tegen de doodstraf. Eigenlijk liggen beide zaken in het verlengde van elkaar. Iemand die gemarteld wordt, wordt een beetje doodgemaakt. Door angst of pijn verliest het slachtoffer de controle over zichzelf. Bovendien wordt hij afgesneden van vertrouwde menselijke contacten. Niemand is meer te vertrouwen en iedereen is tegen hem. Het slachtoffer raakt hierdoor in grote eenzaamheid. Dit moet een vreselijke ervaring zijn. Je bent in nood en er is niemand om je bij te staan. Erger nog, de mensen om je heen zijn erop uit om je doodsangst te vergroten.
Voor de oorlog in Irak spraken we over martelpraktijken aan de andere kant van de wereld, bijvoorbeeld in Zuid-Amerika of in China. Over martelingen in het westen werd nauwelijks gesproken. Sinds de beelden van de verdachte terroristen in de Abu Graib gevangenis weten we wel beter. Vroeger was martelen nog enigszins abstract. Er werd over gesproken en ieder probeerde zich er voorstellingen van te maken. Sinds beeldmateriaal van martelpraktijken publiekelijk vertoond wordt kan niemand meer zeggen dat hij niet weet hoe erg dit is.
Wie had enkele jaren geleden kunnen denken dat we zouden moeten strijden tegen deze grove vorm van mensenrechten-schendingen in het Westen zelf!
Wat nog schokkender is: dat er van hogerhand over gesproken wordt om lichte vormen van martelingen toe te staan.
Overheden zitten toch in hun maag met het negatieve imago.
Daarom houden zij verdachten vast op geheime plaatsen of transporteren de gevangenen over de landsgrenzen. Op deze manier worden hun praktijken verstopt voor de buitenwereld.
Onder het mom van algemene veiligheid wordt het martelen verdedigd. Hoe kan men denken dat de wereld veiliger wordt als mensenrechten geschonden worden. Kijk naar landen waar geen mensenrechten bestaan, juist daar heerst onveiligheid!
De afgelopen week heb ik een cursus gevolgd waar ieder op zoek ging naar zijn sterrol. De sterrol omschrijft de dingen waar je goed in bent. De gedachte is dat je als kind geboren wordt met een aantal talenten. De bedoeling was om deze talenten, ook wel je kernkwaliteiten genoemd, op het spoor te komen. Zo vond iemand als zijn sterrol “Kofi Annan’, een ander vond de ‘zangeres Madonna’. Wanneer je in de rol komt van je ster, voel je je gelukkig en kun je veel aan. Bij slachtoffers van martelingen is de draad naar hun ster sterk beschadigd. Wanneer zij ooit weer in de maatschappij terug komen zijn het beschadigde mensen.
Vorig jaar heeft ACAT Nederland het thema van de glijdende schaal aandacht gegeven. Deze jaarvergadering willen we ons richten op het martelen zelf. Wat wordt er met de mensen gedaan? Welke effecten heeft dat op een mensenleven?
Om het thema martelen met ons te behandelen hebben we vandaag twee artsen uitgenodigd, te weten dhr. Joost den Otter (Johannes Wier Stichting) en dhr. Janus Oomen (Medische Onderzoeks Groep van A.I) Zij zullen spreken over hun ervaring met slachtoffers van marteling.
Als afsluiting van mijn inleiding wil ik een tekst voorlezen van Huub Oosterhuis. Het is een variatie op het Onze Vader.
Allen een heel goede vergadering toegewenst!
Antoon van Hooft
Onze Vader verborgen
uw Naam worde zichtbaar in ons
uw koninkrijk kome op aarde
uw wil geschiede, een wereld
met bomen tot in de hemel,
waar water schoonheid en brood
gerechtigheid is en genade
waar vrede niet hoeft bevochten
waar troost en vergeving is
en mensen spreken als mensen
waar kinderen helder en jong zijn,
dieren niet worden gepijnigd
nooit één mens meer gemarteld,
niet één mens meer geknecht.
Doof de hel in ons hoofd
leg uw woord op ons hart
breek het ijzer met handen.
Huub Oosterhuis
Muzikaal intermezzo door de tweeling Marina en Janna
ACHTERGROND VAN DHR. JOOST DEN OTTER
Dhr. Joost den Otter is epidemioloog en werkzaam voor de Johannes Wier Stichting.
De Johannes Wier Stichting houdt zich bezig met de relatie tussen gezondheidszorg en mensenrechten.
Door het zelf doen van onderzoek, maar ook door het beschikbaar stellen van expertise bij het onderzoek naar schendingen van mensenrechten wordt een bijdrage geleverd aan het openbaar maken en bestrijden van schendingen. De Johannes Wier Stichting is opgericht in 1986.
LEZING DOOR DHR. JOOST DEN OTTER
Wij publiceren (in het Engels) onderstaand verslag van PHR/IFHHRO uit 2005. Dhr. den Otter bezocht dhr. Fathi el-Jahmi en hield de lezing over dit bezoek.
INTERNATIONAL HUMAN RIGHTS GROUPS EXAMINE SERIOUSLY ILL LIBYAN POLITICAL PRISONER AND CALL FOR HIS IMMEDIATE RELEASE
Citing rapidly failing health and a need for immediate access to better medical care, today Physicians for Human Rights and the International Federation of Health and Human Rights Organisations (PHR/IFHHRO) called on the Libyan government to release prominent political prisoner, 63-year-old Fathi el-Jahmi, on humanitarian grounds. His isolated confinement and sporadic and inadequate medical treatment constitute cruel, inhuman, and degrading treatment, the groups said. Mr el-Jahmi has been held at an undisclosed location since his re-arrest in March 2004. In response to numerous reports of his ill health, PHR/IFHHRO sent a Dutch physician and prison health expert, Dr. Joost Den Otter, to evaluate Mr. el- Jahmi’s condition. The organizations have released a detailed medical report. (www.phrusa.org and http://www.ifhhro.org/)
“My evaluation shows that Mr. el-Jahmi is suffering from several chronic, independently life-threatening conditions– diabetes, hypertension and coronary heart disease,” said Dr. Den Otter. “In combination, these diseases could be lethal unless treated immediately.” Medical records reviewed by Dr. Den Otter date only from the last three months and were incomplete or inaccurate, indicating that Mr. el-Jahmi has received only sporadic evaluations and treatment. This often haphazard care has placed Mr. el-Jahmi at a significantly increased danger of a critical or fatal cardiovascular incident and severe kidney failure, among others. “It is essential that he receive regular and continuous medical care,” the groups said.
Despite receiving a response today from Mr. el-Jahmi’s government-appointed physicians confirming the seriousness of his condition and relaying an intention to follow up on several specific medical recommendations, the groups insist that Mr. el-Jahmi should be released on medical and humanitarian grounds. He should be allowed to consult immediately with a physician of his own choosing in a location of his own choosing where he can be assured that his treatment will be in accordance with international standards.
The report describes how Mr. el-Jahmi’s physical appearance has drastically changed from that shown in photos published in various newspaper articles over the past two years. He now looks old and tired, wears a long, grey beard and walks hunched forward as if with the aid of a cane. When he visits the hospital, the staff no longer recognizes him. He is under the constant surveillance of Libyan security guards, who do not permit him to receive mail or to read books or newspapers.
The two groups noted that by allowing this visit from an international physician, the Libyan Government has shown some openness to monitoring of the country’s human rights conditions. Nonetheless the PHR/IFFHRO medical assessment found that the combination of Mr. el-Jahmi’s isolated confinement without charge or trial and the sporadic and inadequate medical treatment constitutes cruel, inhuman, and degrading treatment. Under the International Covenant for Civil and Political Rights, which Libya ratified in 1970, Mr. el-Jahmi has the right to a fair and expedient trial. On the contrary, while in his most recent detention, Libyan authorities have not charged or tried Mr. el-Jahmi for his alleged crimes; instead, they subject him to near weekly interrogations without an attorney during secret hearings.
After many years of opposing the current Libyan regime, Mr. el-Jahmi was arrested for delivering a speech at the Basic People’s Conference in Tripoli in October 2002 at which he called for democracy, national reconciliation, the release of all political prisoners, a free press and a free civil society. At the time, he was charged with “defaming the Leader of the Revolution.” On March 12, 2004, Libyan authorities released Mr. el-Jahmi, following United States Senator Joseph Biden’s meeting with Libyan leader Colonel Gaddafi during which he advocated on Mr. el-Jahmi’s behalf. Two weeks later and shortly after Mr. el-Jahmi called for democratic reforms in interviews with the Arabic news channels al-Hurrah and al-‘Arabiya, Libyan security officials forcibly removed him from his home, detaining him along with his wife and eldest son. Since late 2004, when Libyan authorities released his son in September and then his wife in November, Mr. el-Jahmi has been held in isolated confinement with minimal outside contact at an undisclosed location. Previous attempts by international human rights groups to visit Mr. el-Jahmi have been unsuccessful.
In early February 2005, Libyan authorities approved the PHR/IFHHRO visit. Among the conditions of the visit, PHR/IFHHRO insisted on and received time for a private interview with Mr. el-Jahmi, though Dr. Den Otter was required to travel with and report his findings to the patient’s government-appointed physicians. Dr. Den Otter’s primary assessment was based on standard methods of clinical evaluation, including review of available medical records, eliciting a medical history from Mr. el-Jahmi and a physical examination.
Dr. Den Otter’s assessment shows that Mr. el-Jahmi’s physicians are not doing enough to reduce his diabetes-related complications. In addition, the medical records available for review did not indicate adequate, routine monitoring of blood pressure or blood glucose levels that is required to effectively control his hypertension and diabetes respectively, nor was there any indication that his symptoms of headaches, ringing in the ears (tinnitus), vertigo, dizziness, weight loss or intermittent fevers were evaluated in any way. Such lapses in care should be considered negligence by any reasonable international standard and are likely to result in a further compromised health status. Monitoring of blood pressure and daily finger-stick blood sugars and adjustment of medications does not require special skill or technology.
The March 22, 2005 response from Mr. el-Jahmi’s government-appointed physicians to PHR confirmed the seriousness of his condition. The letter, signed by all three of his physicians, indicated that PHR/IFHHRO’s medical recommendations were being taken into consideration. The letter concludes by saying that Mr. el-Jahmi “is receiving reasonable medical service and adequate supply of medication, his medical treatment and his medical problems are going to be revised and further assessment and evaluation of his condition, and further adjustment of his treatment will be carried out pending the result of the investigations and medical assessment.”
PHR/IFHHRO is pleased to have received this response and to see that its recommendations are being reviewed and hopes that the release of Mr. el-Jahmi will be imminent.
Dr. Den Otter also had an opportunity to visit very briefly with the five Bulgarian nurses sentenced to death in May 2004 on charges of infecting over 400 children with HIV at Benghazi hospital (www.phrusa.org/campaigns/action_alerts/libya.html ). PHR has followed this case and protested these convictions and that of the Palestinian physician also charged, citing testimony from noted AIDS experts that the Government of Libya failed to provide safe health care working conditions. PHR/IFHHRO also urges the Libyan Government to release the Bulgarian and Palestinian health professionals immediately and unconditionally.
To view the report in its entirety, please visit www.phrusa.org and www.ifhhro.org.
Physicians for Human Rights
Physicians for Human Rights (PHR) mobilizes the health professions to advance the health and dignity of all people. As a founding member of the International Campaign to Ban Landmines, PHR shared the 1997 Nobel Peace Prize.
International Federation of Health and Human Rights Organisations
The International Federation of Health and Human Rights Organisations (IFHHRO) was established as a network of organizations with similar human right agendas, upon an initiative of the Johannes Wier Foundation (the Netherlands) and Physicians for Human Rights (USA) in 1989.
Nederlandse vertaling
DE INTERNATIONALE MENSENRECHTENGROEP ONDERZOEKT DE ZIEKE LIBISCHE POLITIEK GEVANGENE EN VERZOEKT OM ZIJN ONMIDDELLIJKE VRIJLATING.
Physicians for Human Rights and the International Federation of Health and Human Rights Organisations (PHR/IFHHRO) twee organisaties op het gebied van de gezondheid en mensenrechten verzoeken de Libische overheid om de prominente politiek gevangene, de 63 jarige Fathi el-Jahmi, op humanitaire gronden vrij te laten. Zijn gezondheid gaat snel achteruit en hij heeft onmiddellijk behoefte aan directe toegang tot betere medische zorg.
Zijn eenzame opsluiting, zijn sporadische en ontoereikende medische behandeling zijn wreed, onmenselijk degraderend, volgens de mensen¬rechtengroep. Dhr. El-Jahmi wordt vastgehouden op een niet nader bekendgemaakte plaats sinds hij in maart 2004 opnieuw werd gearresteerd.
In antwoord op talrijke rapporten van zijn slechte gezondheid, stuurde PHR/IFHHRO de Nederlandse arts en deskundige op het gebied van gezondheidszorg in de gevangenis Dr. Joost den Otter, om de gezondheidstoestand van dhr. Fathi el-Jahmi te onderzoeken. De organisaties hebben een gedetailleerd medisch rapport vrijgegeven.
(www.phrusa.org en http://www.ifhhro.org/).
“Mijn evaluatie toont aan dat dhr. Fathi el-Jahmi aan verschillende chronische, onafhankelijk van elkaar levensbedreigende situaties – diabetes, hoge bloeddruk en een hartkwaal lijdt,” zei Dr. den Otter. “In combinatie, kunnen deze ziekten dodelijk zijn tenzij ze onmiddellijk behandeld worden.”
De door Dr. den Otter beoordeelde medische verslagen zijn slechts van de laatste drie maanden en onvolledig of onnauwkeurig, erop wijzend dat dhr. Fathi el-Jahmi slechts sporadisch werd behandeld. Door deze incidentele zorg heeft dhr. Fathi el-Jahmi een beduidend verhoogd risico op kritieke of fatale cardiovasculaire accident of een ernstige nierkwaal. “Het is essentieel dat hij regelmatig en ononderbroken medische zorg ontvangt,” zegt de mensenrechtengroep.
Ondanks de vandaag ontvangen reactie van de door de regering aangestelde artsen die de ernst van de situatie van dhr. Fathi el-Jahmi bevestigen en de bedoeling hebben om verschillende specifieke medische aanbevelingen na te gaan, dringt de groep er op aan dat dhr. Fathi el-Jahmi op medische en humanitaire gronden zou moeten worden vrijgelaten.
Hij zou onmiddellijk een arts van eigen keuze moeten kunnen raadplegen op een locatie naar eigen keuze waar hij ervan verzekerd kan zijn dat zijn behandeling in overeenstemming is met de internationale normen.
Het rapport beschrijft hoe de fysieke verschijning van dhr. Fathi el-Jahmi drastisch is veranderd in vergelijking met de getoonde foto’s die in diverse krantenartikelen zijn gepubliceerd in de voorbije twee jaren. Hij ziet er nu oud en vermoeid uit, draagt een lange, grijze baard en loopt voorovergebogen alsof hij een stok gebruikt. Bij een bezoek aan het ziekenhuis, herkent het personeel hem niet meer. Hij staat constant onder toezicht van Libische veiligheidsagenten, die hem niet toestaan post te ontvangen, boeken of kranten te lezen.
De twee groepen merkten op dat door het toestaan van dit bezoek van een internationale arts, de Libische overheid enige openheid toonde door het laten controleren van de voorwaarden voor de rechten van de mens.
Niettemin vond de medische beoordeling van de PHR/IFFHRO dat de combinatie van de geïsoleerde opsluiting van dhr. Fathi el-Jahmi zonder beschuldiging of gerechtelijk onderzoek en de sporadische en ontoereikende medische zorg een wrede, onmenselijke en degraderende behandeling vormen.
In het kader van de Internationale Overeenkomst voor Burgerlijke en Politieke Rechten, door Libië in 1970 bekrachtigt, heeft dhr. Fathi el-Jahmi recht op een eerlijk en passend gerechtelijk onderzoek. In tegenstelling hiermee, heeft de Libische overheid tijdens zijn meest recente detentie geen beschuldiging uitgesproken of geprobeerd dhr. Fathi el-Jahmi te beschuldigen voor zijn zogenaamde criminele daden; in plaats daarvan onderwerpen zij hem bijna wekelijks aan ondervragingen zonder een advocaat tijdens geheime hoorzittingen.
Na vele jaren van zich verzetten tegen het huidige Libische regime, werd dhr. Fathi el-Jahmi gearresteerd voor het houden van een toespraak op een Conferentie (van de hier weet ik ook geen goede vertaling voor) in Tripoli in oktober 2002 waar hij democratie, nationale verzoening, de vrijheid van alle politieke gevangenen, een vrije pers en een vrije burger maatschappij vroeg. Tegelijkertijd werd hij beschuldigd van “het belasteren van de Leider van de Revolutie.”
Op 12 maart 2004 liet \ de Libische overheid dhr. Fathi el-Jahmi vrij, nadat Senator Joseph Biden uit de VS een ontmoeting had met de Libische leider Kolonel Gaddafi waarin hij de zaak van dhr. Fathi el-Jahmi bepleitte.
Twee weken later en kort nadat dhr. Fathi el-Jahmi opriep tot democratische hervormingen in interviews met de Arabische nieuwszenders al-Hurrah en al-`Arabiya haalden de Libische veiligheidsagenten hem met geweld uit zijn huis, zetten hem samen met zijn vrouw en oudste zoon vast. Sinds eind 2004, toen de Libische overheid zijn zoon in september en zijn vrouw in november vrij lieten, wordt dhr. Fathi el-Jahmi in geïsoleerde opsluiting gehouden op een niet bekendgemaakte plaats met minimaal contact met de buitenwereld. Eerdere pogingen door internationale mensenrechtengroepen om hem te bezoeken waren zonder succes.
Begin februari 2005, stond de Libische overheid het bezoek van PHR /IFHHRO toe. Een van de voorwaarde om toestemming te krijgen voor een privé onderhoud met dhr. Fathi el-Jahmi was dat dr. den Otter moest reizen met en zijn bevindingen melden aan de artsen die door het regime aan de patiënt.
De eerste beoordeling van Dr. den Otter was gebaseerd op standaardmethodes van klinische evaluatie, met inbegrip van een inspectie van beschikbare medische verslagen, het naar buiten brengen van de medische geschiedenis van dhr. Fathi el-Jahmi en een fysiek onderzoek.
De beoordeling van dr. den Otter toont aan dat de artsen van dhr. Fathi el-Jahmi niet genoeg doen om zijn complicaties ten gevolge van de suikerziekte te verminderen. Bovendien wezen de beschikbare medische verslagen niet op een adequate, routinecontrole van de bloeddruk of op de bloedglucose die wordt vereist om respectievelijk zijn hypertensie en diabetes effectief te controleren noch was er enige aanwijzing dat zijn symptomen van hoofdpijn, oorsuizing, duizeling, gewichtsverlies of periodieke koortsen op enige manier werden geëvalueerd.
Zulke missers in zorg zouden moeten worden beschouwd als nalatigheid door om het even welke redelijke internationale norm en zullen waarschijnlijk in een verdere gecompromitteerde gezondheidsstatus resulteren.
Het toezicht op de bloeddruk en de dagelijkse vingerprikken om bloedsuikers en de aanpassing van medicijnen vereisen geen speciale vaardigheid of technologie.
Op 22 maart 2005 kwam een antwoord van de door de regering aangestelde artsen voor dhr. Fathi el-Jahmi bij de PHR; dit antwoord bevestigde de ernst van zijn situatie. De brief, die door alle drie zijn artsen wordt ondertekend, wees erop dat de medische aanbevelingen van PHR/van IFHHRO in overweging worden genomen. De brief concludeert dat dhr. Fathi el-Jahmi “de redelijke medische zorg en adequate levering van medicijnen ontvangt, zijn medische behandeling en zijn medische problemen opnieuw worden bekeken, verdere beoordeling en evaluatie van zijn conditie en verdere aanpassing van zijn behandeling is afhankelijk van het resultaat van de onderzoeken en de medische beoordeling.”
PHR/IFHHRO is verheugd dit antwoord te hebben ontvangen en te zien dat zijn aanbevelingen opnieuw worden bezien en hopen dat de vrijlating van dhr. Fathi el-Jahmi binnenkort zal plaatsvinden.
Dhr. den Otter had ook de mogelijkheid om erg kort de vijf Bulgaarse verpleegsters te bezoeken die in mei 2004 ter dood zijn veroordeeld op beschuldiging van het besmetten van meer dan 400 kinderen met HIV in het ziekenhuis Benghazi. (www.phrusa.org/campaigns/action_alerts/libya.html)
PHR heeft deze zaak gevolgd en verklaard deze veroordelingen en die van de Palestijnse arts met verwijzing naar de deskundigen van AIDS dat de regering van Libië heeft gefaald in de voorwaarden van een veilige gezondheidszorg.
PHR/IFHHRO spoort de Libische overheid ook aan om de Bulgaarse en Palestijnse gezondheids¬werkers onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten.
Om het rapport in al zijn onderdelen te bekijken, kunt u de website bezoeken”:
www.phrusa.org en de Artsen www.ifhhro.org.
Artsen voor Rechten van de mens (PHR) mobiliseert de werkers in de gezondheidssector om de gezondheid en de waardigheid van alle mensen te verbeteren.
Als medeoprichter van de Internationale Campagne om landmijnen uit te bannen ontving PHR de Nobelprijs voor de Vrede in 1997.
De internationale Federatie van Organisaties voor de Gezondheid en de Rechten van de Mens (IFHHRO) werd opgericht als netwerk van organisaties met dezelfde mensenrechtenprogramma’s op initiatief van de Johannes Wier Stichting (Nederland) en Artsen voor Rechten van de Mens (VS) in 1989.
ACHTERGROND VAN DHR. JANUS OOMEN.
“Onderzoek naar martelervaringen bij asielzoekers”
Dhr. Janus Oomen is arts en medisch antropoloog. Hij werkte als internist in Mwanza, Tanzania (1974 – 1979) en in Nederland in de psychiatrie (1980 – 2004), verder had hij een professoraat aan de universiteit van Amsterdam. Op latere leeftijd begon dhr. Oomen met een studie medische antropologie, eerder cultureel dan medisch.
De studie gaat over de cultuur van gezondheid en ziekte.
Dhr. Oomen is op dit spoor gezet doordat hij sinds 1994 als arts voor Amnesty Internat. werkt. In de medische onderzoeksgroep (MOG) zijn artsen van verschillende disciplines werkzaam, de groep werkt onafhankelijk, is niet in dienst van A.I. De artsen die zich vrijwillig inzetten voor A.I. houden zich bezig met uitgeprocedeerde asielzoekers.
In dit verband onderzocht hij gemartelde asielzoekers.
“Onderzoek naar martelervaringen bij asielzoekers”
Dhr. Janus Oomen is arts en medisch antropoloog. Hij werkte als internist in Mwanza, Tanzania (1974 – 1979) en in Nederland in de psychiatrie (1980 – 2004), verder had hij een professoraat aan de universiteit van Amsterdam. Op latere leeftijd begon dhr. Oomen met een studie medische antropologie, eerder cultureel dan medisch.
De studie gaat over de cultuur van gezondheid en ziekte.
Dhr. Oomen is op dit spoor gezet doordat hij sinds 1994 als arts voor Amnesty Internat. werkt. In de medische onderzoeksgroep (MOG) zijn artsen van verschillende disciplines werkzaam, de groep werkt onafhankelijk, is niet in dienst van A.I. De artsen die zich vrijwillig inzetten voor A.I. houden zich bezig met uitgeprocedeerde asielzoekers.
In dit verband onderzocht hij gemartelde asielzoekers.
LEZING DOOR DHR. JANUS OOMEN – ONDERZOEK BIJ ASIELZOEKERS.
De hulp voor een asielzoeker bestaat uit een asieladvocaat en het medisch onderzoek. Dit onderzoek kán er toe bijdragen dat een asielzoeker recht krijgt op een verblijfsvergunning.
Op grond van zijn jarenlange ervaring is dhr. Oomen zeer kritisch over ons Nederlands gedrag ten aanzien van asielzoekers. Wij zijn huichelaars over dit onderwerp. In de loop der jaren hebben de artsen 50 tot 200 rapportages jaarlijks gemaakt (sinds 1977 ongeveer 3000).
Levert het iets op van betekenis voor de mensen? Ja!
Voor de betrokken asielzoekers heeft dat meestal direct het effect dat een uitzetting wordt voorkomen en aan bijna allen is er – na jaren wachten – een asielstatus verleend.
Overigens is de procedure zo ingewikkeld bureaucratisch, dat een belangrijk deel van de asielzoekers ‘onderweg’ verdwijnt.
Een arts doet gemiddeld vier casussen per jaar. De voorbereiding neemt ca. twintig uur in beslag, het eigenlijke onderzoek met de asielzoeker vier uur en de behandeling twintig uur; in totaal dus een week werk. Wat doet martelen met het slachtoffer, wat doet het met ons waarnemers? De artsen zitten in een kwetsbare positie. Zij behoren empathisch en objectief te zijn. Teveel sympathie of een miskenning is niet goed. De zaken zijn ingewikkeld. Soms is het slachtoffer ook een dader. Daarom wordt veel aan intervisie gedaan.
Dhr. Oomen: Wat doen we? We werken checklists af en de resultaten van het onderzoek zetten we in tien à twintig pagina’s op papier. Het onderzoek is bedoeld voor de rechter in een beroeps-zaak maar moet ook gelezen kunnen worden door de asielzoeker zelf. Wanneer het onderzoek plaatsvindt ligt het trauma gemiddeld 2,5 jaar terug en is de betrokkene al ‘uitgeprocedeerd’. Pas na ongeveer 450 dagen wordt Amnesty International ingeschakeld. A.I. heeft vijftig dagen tijd nodig, een onderzoeksarts een week. Voor een asielzoeker zijn drie partijen van belang: de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de asieladvocaat, een mensenrechtenorganisatie.
Een onderzoeksarts heeft de opdracht een diagnose te stellen en dat wat hij ziet en hoort te relateren aan martelingen. Vaak gebeurt het dat een asielzoeker zijn verhaal niet eerder heeft kunnen vertellen.
IMMIGRATIE- EN NATURALISATIEDIENST IND
De IND stelt als voorwaarde dat het verhaal bij de eerste gelegenheid volledig verteld moet worden. Als het aan de IND ligt – zo is de MOG ervaring – komt 2% van de verhalen erdoor. Waarom kan iemand zijn/haar verhaal niet vertellen? Het ligt aan veel.
Een voorbeeld: Een man vertelt zijn verhaal. De arts ziet dat hij moeite heeft met lopen en met rechtop staan. Hij blijkt niet op zijn tenen of op zijn hakken te kunnen staan. De man zelf was ook verbaasd. De huid van het been was dun en afwijkend behaard.
Bij navraag blijkt hij met falaga (een veelvoorkomende mishandeling waarbij langdurig op de voetzolen wordt geslagen).
Voor de buitenwereld is deze marteling niet erg zichtbaar, maar de effecten zijn desastreus voor het slachtoffer. Het ‘mysterie’ van de IND is dat zij hier niet van willen weten. Volgens de IND kan een onderzoek van medici niets toevoegen. Dit staat zelfs in hun instructie! Zij gebruiken hiervoor pseudo-rationele argumenten, bijvoorbeeld het beroepsgeheim van artsen.
De IND legt dat zo uit: een arts mag vanwege zijn beroepsgeheim niet aan derden vertellen over zijn bevindingen.
Of de IND stelt dat het niet te bewijzen is dat de littekens het gevolg zijn van martelingen. Een falaqa trauma heeft vaak impact op het geheugen, kleine zaken maken het trauma weer wakker. Om te overleven stoppen de slachtoffers de marteling weg, zij proberen te ‘vergeten’ wat gebeurd is. De littekens zijn dan aanknopingspunten, maar het verhaal is het wezenlijke.
Een probleem is dat de rechter alleen de randvoorwaarden toetst. Zij spreekt zich niet uit over het oordeel van de IND, zij spreekt zich enkel uit over het feit of de IND de procedure juist gevolgd heeft.
TWEE ZAKEN SPELEN IN DE POLITIEK EEN ROL
1. de ontkenning, men wil niet zien,
2. de vraag ‘hoe komen we ermee weg?’
De IND wordt gecontroleerd door de politiek. De meeste klachten die bij de ombudsman terecht komen gaan over de IND. De IND vormt een staat in de staat, er werken zo’n 3500 mensen.
Je kunt stellen dat voor elke asielzoeker er een ambtenaar is aangesteld én een andere medewerker!
Als medisch antropoloog kijk je anders tegen deze zaak aan. Kenmerkend is dat een slachtoffer zich niet kan uitspreken omdat hij de marteling niet verwerkt heeft. Als hij in Nederland aankomt weet hij niets over ons. Zijn gedachten zijn nog bij zijn eigen land. Zijn motieven zijn anders dan wij steeds denken. Zij zijn b.v. een potentieel gevaar voor hun familie. Om deze reden stuurt de familie hen vaak weg. Ze zijn gemarteld en op de vlucht gejaagd door de familie. Ze kunnen dit niet vertellen en als ze het niet vertellen worden ze teruggestuurd. Vaak spreken ze zichzelf tegen. ‘Mij overkwam iets erg, maar het overkwam anderen ook’.
Trauma is een strikt individuele aangelegenheid. Sommige mensen komen sterker uit een periode van martelingen, anderen zijn getraumatiseerd.
PATHOLOGIE VAN DE MACHT
We praten hier over een ziekteproces. De ziekte-oorzaak heet: pathologie van de macht. De macht – zoals hier toegepast – is ziekmakend. De minachting door de machtige speelt een rol bij verkrachtingen en martelingen. Machthebbers willen van deze ziekte niets weten, dat zou de macht ontkrachten. Hieruit leren we dat we de slachtoffers macht moeten geven. We moeten hen zeggen dat we blij zijn met hun verhaal, we moeten hen hun menszijn teruggeven. We moeten ons realiseren dat er in Nederland ca. 200.000 ex-asielzoekers wonen. Dhr. Geert Wilders horen we elke dag, maar van hen horen we niets. We kúnnen hen het woord geven.
Vroeger hebben de katholieken op een bepaald moment ook het woord genomen. Zij gingen zich organiseren en richtten b.v. een vakbond op. Vanaf dat moment traden er veranderingen op.
Het zou goed zijn om ons te realiseren dat we voortdurend zitten te ONTKENNEN. De werkwijze van de grote ontkenners is om te fragmenteren, zodat het echte verhaal niet op tafel komt. Laten we het woord ‘asiel’ weer ontdekken, laten we zoeken naar de betekenis die het ooit had.
INTERNATIONALE BIJEENKOMST IN LUNGERN, ZWITSERLAND
MEI 2007
“HET VERBOD OP MARTELEN: EEN PRINCIPE ONDER BEDREIGING”
Ter gelegenheid van haar twintigste verjaardag, heeft de Internationale Federatie van de Actie van Christenen voor de Afschaffing van Marteling (FIACAT) aan de rand van het meer van Lungern (Zwitserland) gekozen om te spreken over de glijdende schaal op het verbod van martelen.
Het programma was zo opgesteld dat in de ochtenduren gerenommeerde sprekers een inleiding hielden, gevolgd door discussie. In de middaguren waren er workshops en een verdieping vanuit christelijk gezichtspunt. Ruim honderd mensen uit 25 landen waren bijeengekomen.
Sinds 09-11-2001 gaan er in de Westerse wereld stemmen op om een zekere mate van martelen toe te staan. Twee nieuwe begrippen werden opgevoerd.
Het ‘TIKKENDE BOM’ principe, en ‘REDDEN DOOR TE MARTELEN’,
van het Duitse ‘Rettungsfolter’.
Het tikkende bom principe gaat ervan uit dat een verdachte gearresteerd wordt en dat men met behulp van martelingen de verdachte dwingt informatie te geven, zodat het leven van anderen gered kan worden. Hierbij kunnen we denken aan een verdachte terrorist of een verdachte kinderontvoerder.
In Duitsland is de ‘zaak Daschner’ bekend, waar de rechercheur Daschner een verdachte van kinderontvoering dreigde met geweld om de verblijfplaats van het kind te achterhalen. De verdachte gaf tot tweemaal toe een foutief adres op en het kind werd later dood teruggevonden.
De rechercheur is naderhand veroordeeld vanwege het dreigen met geweld omdat zelfs het dreigen met geweld door een dienaar van de staat niet is toegestaan.
Het probleem werd hier heel scherp gesteld: is er niet iets voor te zeggen om het kind te redden door de verdachte in ‘lichte’ mate te martelen, door Rettungsfolter, ‘redden door te martelen’ toe te passen? Natuurlijk voelt iedereen mee met het lot van het kind.
Als we de zaak dieper op ons laten doordringen blijkt dat informatie die met geweld uit een verdachte ‘geperst’ wordt niet betrouwbaar is. In de zaak Dachner loog de verdachte tot tweemaal toe. Ook bij de Schiedamse parkmoord in Nederland bleek dat onder grote druk
de verdachte dingen ging zeggen om de ondervrager tevreden te stellen. In eerste instantie bekende de verdachte en werd hij veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf. DNA onderzoek wees later uit dat hij de dader niet kon zijn geweest.

Mevrouw Paz Rojas, een arts die zich jarenlang bezig heeft gehouden met 3000 verdwenen en gemartelde mensen in Chili onder Pinochet (1973-1990) gaf op indrukwekkende wijze het beeld van een staat waar het martelen deel van de cultuur is geworden. Tegenstanders worden tot monsters, tot ondermensen gemaakt.
Er wordt bewust een angst gecreëerd: wanneer men de tegenstander niet vernietigd, wordt men zelf vernietigd. Door de staat wordt een blinde loyaliteit gevraagd en de wilsvrijheid wordt uitgeschakeld.
De staat leidt beulen op om verdachten op de ‘juiste’ manier te martelen.
Michel Stavrou, professor aan het instituut voor orthodoxe theologie Saint-Serge (Parijs) wees erop dat men met martelen een heilige wet overschrijdt. Men tast de waardigheid van de mens aan en laat demonische krachten toe. Men creëert een onmenselijke verhouding tussen de verdachte en de beul en laat hem een barbaarse behandeling begaan.
Hubert Hausemer, filosoof, voorzitter van de Luxemburgse commissie “Justitia et Pax” stelde de mens voor als een wezen van verbindingen.
Verbindingen met de natuur, met mensen, met zichzelf, met de zin van het leven. Deze verbindingen moeten gekoesterd worden. De mens is autonoom, d.w.z. moet zichzelf regels geven, de mens heeft verantwoordelijkheid, d.w.z. moet antwoorden geven, de mens heeft autoriteit, d.w.z. hij helpt de ander te ontwikkelen (auctare), de mens moet opvoeden, d.w.z. hij moet zich buiten de afhankelijkheid bewegen (exducere).
Liefde voor mensen betekent hen erkennen, ontwikkelen, laten leven in geestelijke vrijheid. Wanneer gemarteld wordt is er geen erkenning, is er geen opvoeding, wordt er niet geleefd en is er geen vrijheid. Een dergelijke wereld staat ons niet voor ogen. Wij streven naar een wereld waar menselijkheid voorop staat en martelen achterwege blijft.
Antoon van Hooft

Wim Petersen met ACAT mederwerkers uit Brazilië
en de ACAT medewerker uit de Philippijnen
Onderstaand lied uit Congo was een van de liederen tijdens
de ceremonies in de kapel.
MATONDO (Dank U!)
Refr.
Matondo, Tata Nzambi, matondo hé!
Matondo, matondo hé!
1. Yaya Yézu, Mbonga kuani (Hier ben ik, Jezus, hier is mijn leven
Mbonga Mfumu, Mbonga hé! neem het)
2. Yaya Yézu, Mbonga kuani (Heer jezus, spreek tot mij)
Ntéla Mfumu, Ntéla hé!


Download als pdf
