ACAT Nederland

Mensenrechtenvereniging van Christenen voor de Afschaffing van Martelen en de Doodstraf

20 maart 2008

Mensenrechten in China, Dr. Georg Evers

Acat jaarvergaderingen

Bookmark and Share

ACAT Jaarvergadering in Franciscushuis te Den Bosch

15 maart 2008, Mensenrechten in China, Dr. Georg Evers

De situatie van de mensenrechten in de Volksrepubliek China (VRC) kort voor het begin van de Olympische Spelen in Beijing.

1. Inleiding

Minder dan een jaar voor het begin van de Olympische Zomerspelen in Beijing staat de VRC in de bijzondere belangstelling van de internationale media, die in hun berichtgeving de situatie van de mensenrechten, en in het bijzonder de godsdienstvrijheid veel aandacht geven. Er gaan steeds weer stemmen op om vanwege de mensenrechtenschendingen door de Chinese regering een boycot van de Olympische Spelen te eisen. De Chinese overheid reageert in toenemende mate geïrriteerd op deze storende geluiden en zij benadrukt dat zij de vermenging van sport en politiek veroordeelt. Evangelisch christelijke groepen uit de USA, Korea en andere landen hebben al aangekondigd, dat zij rondom de Olympische Spelen in Beijing met een reeks aan activiteiten aandacht aan hun geloof willen geven. De Chinese autoriteiten wijzen er nadrukkelijk op dat missionaire activiteiten van buitenlanders principieel niet geduld worden. Het is dus zeer waarschijnlijk dat het thema “godsdienstvrijheid” vóór en tijdens de Olympische Spelen veel aandacht zal krijgen.

Mensenrechtsorganisaties hebben aan de vooravond van de Olympische Spelen de situatie van de mensenrechten in de VRC onlangs in enige punten samengevat:

1. In China leeft 50% van de mensen in de wereld die in hun mensenrechten benadeeld wordt. Concreet wordt bekritiseerd dat de burgers in China geen mogelijkheid hebben hun regering democratisch te kiezen en aan hen worden fundamentele burgerrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en vrije zelfbestemming ontzegd.
2. In China bevinden zich meer journalisten in de gevangenis dan ergens anders in de wereld. In het jaar 2006 heeft president Hu Jintao nieuwe richtlijnen voor de media uitgevaardigd, volgens welke kritiek op de politieke leiding, berichten over rampen en over ziekten zoals AIDS en andere negatieve berichten verboden zijn en strafbaar worden gesteld.
3. De Chinese regering controleert de toegang tot internet met de modernste middelen. De circa 150 miljoen internetgebruikers in de VR China hebben alleen
maar via moderne filters beperkt toegang tot internet. De filters verhinderen internetverbindingen die gaan over de gevoelige thema’s van democratie en mensenrechten. Westerse bedrijven leveren de software en werken samen met de Chinese autoriteiten door de namen van de gebruikers vrij te geven.
4. De één-kind politiek bij de geboortecontrole leidt tot talloze abortussen, tot een terugloop van vrouwelijke geboorten en tot mensenhandel. In China zijn op 125 mannelijke geboorten slechts 100 vrouwelijke.
5. In China worden wereldwijd de meeste doodstraffen voltrokken. Er zijn 65 misdaden waarop de doodstraf staat. De 1.700 uitgevoerde terechtstellingen uit de officiële cijfers van de regering komen overeen met 81 % van de terechtstellingen in de wereld. De werkelijke cijfers voor China zouden evenwel nog hoger liggen.
6. China ondersteunt regeringen zoals bijvoorbeeld Soedan, Noord-Korea, Birma en Zimbabwe, die de mensenrechten grof schenden en verhindert sancties door organen van de Verenigde Naties. Voor de Chinese regering tellen economische en politieke belangen meer dan het behartigen van mensenrechten.
7. In China wordt de vrijheid van godsdienst steeds weer geminacht.


2. Is er een specifieke Chinese invalshoek tot de problematiek van mensenrechten en vrijheid van godsdienst?

Het thema “vrijheid van godsdienst” en haar daadwerkelijke of vermeende beperking door staatsorganen worden klaarblijkelijk zeer verschillend gezien; afhankelijk van het feit of het buitenlandse, vaak christelijk-kerkelijke posities zijn, die de schending van godsdienstvrijheid aanklagen, of van officiële organen van de VR China, die het overeind houden van deze grondrechten verzekeren. Van de zijde van de Chinese regering en de communistische partij wordt steeds benadrukt dat in de VR China de mensenrechten gelden en van de zijde van politieke leiding “in het kader van de Chinese grondwet en wetgeving” ook dat zij gerespecteerd worden. Aan de andere kant heeft de Chinese leiding meermaals verklaard, dat naar hun mening het begrip en de inhoud van de mensenrechten ook van culturele en maatschappelijke factoren afhangen en dientengevolge verschillend zouden zijn. Men kritiseert het feit dat in het westen de nadruk gelegd wordt op de individuele mensenrechten, terwijl in de Chinese traditie de plicht van het individu tegenover de familie, de groep en de maatschappij over het algemeen voorrang zou hebben op de individuele rechten.
Het opkomen voor de onaantastbare waardigheid van het individu, dat van nature met rechten is omgekleed, en die tegenover de eisen van de gemeenschap verdedigbaar is, is voor de Chinezen verdacht, vanwege de naar hun mening overdreven positie van het individu. Zich in het geval van een conflict beroepen op individuele rechten, om eisen van de gemeenschap uit de weg te gaan, schijnt hen eerder een destructief dan een bevrijdend element te zijn. Naar Chinees begrip heeft het welzijn van het algemeen altijd (en in ieder geval) ondubbelzinnig voorrang boven het welzijn van de enkeling. Wanneer het tot conflicten komt heeft de enkeling zijn recht en zijn eisen terug te houden en de gemeenschap voorrang te geven. De westerse voorstelling dat mensenrechten transcendente waarde voorstellen, die door het natuurrecht gegeven zijn, wordt in China breed afgewezen en daartegenover wordt benadrukt dat mensenrechten zich slechts stap voor stap met de sociale en economische ontwikkelingen van een maatschappij laten realiseren en van daaruit altijd in hun verwerkelijking van historische factoren afhankelijk zouden zijn.

De kritiek richt zich tegen het feit dat het “Westen” bij haar opkomen voor de mensenrechten vaak een merkwaardige eenzijdigheid en blindheid aan de dag zou leggen. De westerse democratieën ging het altijd voornamelijk om de “eerste generatie mensenrechten” welke de individuele rechten verzekeren, terwijl zij de mensenrechten van de “tweede generatie” welke de sociale en culturele rechten verzekeren, vergaand zouden verwaarlozen. Ondertussen spreekt men al van een “derde generatie” mensenrechten, welke het recht op een schoon milieu, het recht op ontwikkeling en het recht op vrede inhouden.

De economische, sociale en culturele mensenrechten zijn volgens deze denkwijze net zo hoog in te schalen als de burgerlijke en politieke rechten van het individu.
In antwoord op de vaak geuite kritiek van het Westen, dat in China de mensenrechten onvoldoende beschermd worden, verwijst de Chinese leiding naar het principe dat vragen over mensenrechten nooit misbruikt mogen worden als instrument om zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van een staat.
Hoewel communistische opvattingen over de gelijkheid van alle mensen en de gemeenschappelijke verplichting en opgave een egalitaire socialistische maatschappij op te bouwen een rol gespeeld hebben, en gedeeltelijk nog spelen, drukt zich in de reserve tegenover de individuele mensenrechten beslist ook trouw uit aan de oude Chinese opvattingen over de rol van de enkeling tegenover de gemeenschap.

Men kan zich serieus afvragen of het rekening houden met culturele en historische factoren bij de mensenrechten tot op zekere hoogte ook te rechtvaardigen is.
Het is niet te ontkennen dat er in de wereld verschillende cultuurvormen zijn, die zich onderscheiden door verschil van opvatting over de positie van de enkeling tegenover de gemeenschap (de staat). Men spreekt in dit verband van “ik culturen” (individuele culturen) tegenover “wij culturen” (collectieve culturen). In de “ik cultuur” is het individu een vrije, niet door sociale bindingen gehinderde, autonome persoon, waarbij de maatschappij de som van alle vrije individuen is. In de “wij cultuur” is de enkeling gebonden in een dicht net van relaties, waarbij hij pas door zijn positie in het grote gezin, in de clan of in de groep zichzelf als een individu beleeft. Het individu wordt in dezelfde zin als de som van de sociale relaties gedefinieerd. In een “wij cultuur” wordt solidariteit met de groep, met het opgeven van de individuele wensen en verwachtingen, als normaal en vereist gezien.

Deze, op basis van de confuciaanse sociale filosofie berustende maatschappij in Oost-Azië, met daarbij voorop China, maar ook Korea, Japan, Vietnam en als afgeleide ook Singapore, zijn typische vertegenwoordigers van een “wij cultuur”. Het debat over de zogenaamde “Aziatische waarden” ging dan ook over de waarden van deze Oost-aziatische, en door het confuciaanse gedachtegoed bepaalde maatschappij.

Over het fundamentele onderscheid tussen de “westerse” en “aziatische” visie op de mensenrechten is in het verleden vaak op een controversiële manier gesproken.
Intussen is zo iets als overeenstemming bereikt, dat de mensenrechten alleen dan gelden indien zij “universeel” begrepen worden.
Tegelijkertijd wordt gezegd dat op grond van culturele, religieuze en andere factoren wordt afgewogen, of meer de individuele dan wel de sociale mensenrechten in een bepaalde maatschappij voorrang krijgen.


3. Opvatting van mensenrechten bij de Communistische Partij van China.

De tijd van de Chinese keizer en het systeem van landheren behoort sinds 1911 met het einde van de Mandschu dynastie, en definitief na de stichting van de Volksrepubliek China in 1949 en de daarmee verbonden machtsovername door de communisten, tot het verleden.
Waarnemers registreren steeds met verbazing het verschijnsel, dat ondanks de verschillende revoluties er een frappante continuïteit in het maatschappelijke en politieke denken in China te zien is. In zeker opzicht kan men het zo zien dat de confuciaanse staatsorthodoxie afgelost werd door een communistische staatsorthodoxie. De politieke leiding van de Volksrepubliek China heeft altijd een zeer gespleten verhouding tot het thema van de mensenrechten gehad. Onder Mao Zedong (1893-1979) hebben bij de vele politieke campagnes steeds weer grove schendingen van de mensenrechten plaatsgevonden.

De ergste schendingen van de mensenrechten gebeurden tijdens de Proletarische Culturele Revolutie (1966-76), waarin iedere vorm van rechtstaat voor langere tijd buiten spel werd gezet. De heerschappij van de willekeur van de zogenaamde Bende van Vier onder Jiang Qing, de weduwe van Mao Zedong, werd door de hervormers onder Deng Xiaoping (1977-1990) beëindigd. Een nieuwe start werd gemaakt, die ook een reeks hervormingen van de rechtstaat inhield met betrekking tot de mensenrechten.
Door de Chinese leiding werd in het begin van de hervormingspolitiek de opbouw van een socialistisch rechtssysteem beloofd, maar het werd snel duidelijk dat bij de uitvoering ervan in geen geval het gezag van het recht naar westelijke maatstaven bedoeld werd. De communistische regering heeft nooit een machtsdeling willen doorvoeren, waardoor justitie werkelijk onafhankelijk zou worden.
Voor de communistische partij was en is het onweerlegbaar waar dat de gerechtelijke instituties vooral als machtsinstrumenten in dienst van de partij worden gezien.
De grondwet van de Volksrepubliek China verzekert weliswaar formeel de grondrechten, bijvoorbeeld op uitoefening van godsdienstvrijheid, en voerde nieuwe procedures door in de rechtspraak.

De communistische partij hield echter vergaand vast aan de oorspronkelijk door Deng Xiaoping geformuleerde “vier grondprincipes” die boven de grondwet staan:
1. vasthouden aan de socialistische weg,
2. dictatuur van het proletariaat,
3. macht aan de communistische partij en
4. geldigheid van de ideeën van Lenin-Mao Zedong en het gedachtegoed van Deng Xiaoping.

In het moderne China hebben de communisten onder Mao Zedong geprobeerd niet meer een confuciaanse, maar een communistische orthodoxie op te bouwen, die zoals de voorgaande uitermate hard optreedt tegen al diegene die “afwijken”.
Hoewel de ideologie uit het westen afkomstig is werd zij, door de eigen interpretatie van Mao Zedong, toch tot een eigen, Chinees product – inderdaad tot “socialisme met een chinees karakter”.
President Jiang Zemin (1990-2002) heeft aan het eind van zijn ambtstijd als Chinese president en secretarisgeneraal van de Chinese communistische partij met het enigszins omslachtig geformuleerde principe van de “drie-plaatsvervangers” nog eenmaal op een ontmaskerende manier onderstreept dat de communistische partij aanspraak maakt op het alleenrecht het land te leiden. Ondanks de intussen toch zeer sterk veranderde context, die aanzienlijk bepaald wordt door de economische opleving van het land, gaat het daarbij wederom om de opgave, de boeren en arbeiders, dat wil zeggen de oude steunpilaren van het regime, in het gareel te houden en tegelijkertijd de nieuwe maatschappelijke laag van kapitalisten en ondernemers eveneens voor de partij op te eisen.
Dit gaat weliswaar alleen door het opgeven van zeer belangrijke oude principes, maar het zekerstellen van de machtspositie van de communistische partij als alleenbestemmend principe en ideologische kracht heeft de absolute voorrang. Een hybride vorm is hieruit voortgekomen, welke eigenlijk het ideologische failliet van de partij betekent.

Met het opeisen van alle belangrijke maatschappelijke en economische krachten door de communistische partij maakte Jiang Zemin onomstotelijk duidelijk dat er “buiten de communistische partij van China” geen andere maatschappelijk of politiek bepalende kracht kan bestaan.
Zijn opvolger Hu Jintao zet zijn weg consequent voort. Zijn nieuwe opzet, om op wetenschappelijke basis een “harmonische maatschappij” te realiseren, is een reactie op de enorme economische en maatschappelijke ontwikkeling. Het is duidelijk dat ook de partij zich ervan bewust geworden is dat er in het land een gevaarlijke ontwikkeling gaande is omdat de kloof tussen de door de economische opleving en groei profiterende laag van de “nieuwe rijken” en de van de zegeningen uitgesloten seizoenarbeiders, boeren en kleine ambtenaren steeds groter wordt.

Onder de bevolking daarentegen heeft zich een uit ideologische teleurstelling resulterende algemene onverschilligheid tegenover alle ideologische campagnes verspreid. De partijleiding probeert de ideologische debatten weer aan te sporen, grijpt daarbij steeds minder vaak terug op het gedachtegoed van het Marxisme, maar gebruikt de tot voor kort nog verwerpelijke leer van het Confucianisme als maatschappelijke richtlijn. In deze ideologische omkering wordt zichtbaar, dat niet voor niets van de Chinezen gezegd wordt dat zij pragmatisch denken, weinig gevoel hebben voor filosofie en metafysica en al helemaal niet voor abstracte theorieën, maar veel meer op de aardse werkelijk gericht zijn.


4. Continuïteit in de Chinese opvatting over religie

Godsdiensten in China zijn in de lange geschiedenis van het land altijd afgemeten aan het feit of zij aan het welbevinden van het land zouden kunnen bijdragen en welk voordeel zij nu reeds in deze wereld voor hun aanhangers zouden kunnen hebben.
Voor de godsdienstpolitiek van de staat was beslissend, ongeacht de verandering van de regeringsvorm (het Chinese keizerrijk, de republiek Sun Yatsen (1911-1926) of de communistische volksrepubliek (sinds 1949)), in hoeverre een godsdienst de bestaande orde ondersteunde, het welbevinden van de staat bevorderde en de binnenlandse vrede hielp verzekeren.

In het Chinese denken speelt het begrip eenheid een buitengewone rol en heeft, overeenkomstig zijn vertaling naar de ‘eenheid van de staat’ als prioriteit, een godsdienstpolitiek in China gevonden. In de verhouding tussen staat en godsdiensten hebben zich in de loop van de Chinese geschiedenis drie traditionele vormen uitgekristalliseerd:
* in de orthodoxe eerste variant verbindt de godsdienst zich met de staat en wordt tot een kracht die door de staat gedragen wordt, doordat zij de keizer, respectievelijk de betreffende heersende regering, de zegen van de hemel doorgeeft of, profaan uitgedrukt, zich voor het welzijn van het algemeen positief inzet.
In de geschiedenis heeft het confucianisme exemplarisch deze rol van begrip van de staat voor de orthodoxe godsdienst gespeeld. De staat werd in het confucianisme als een reusachtige patriarchaal georganiseerde familie opgevat, waarin ieder zijn positie met de bijbehorende verplichtingen had.

* eveneens als “orthodox” geldt de tweede vorm, waarbij de aanhangers van een godsdienst zich uit de wereld in kloosterlijke bespiegeling en isolatie terugtrekken. Het Chinese Boeddhisme lijkt nog het meest deze vlucht uit de wereld, van mystiek of van ascese te zijn gegaan, hoewel deze traditie eveneens voorhanden was in het Taoïsme.

* als heterodox werd daarentegen de derde variant afgewezen en vervolgd, waar het ging om het gedrag van de godsdienst tegenover de maatschappij, wanneer een godsdienst het politieke systeem vanuit een profetische missie durfde te bekritiseren en moeite deed invloed te krijgen op politieke en maatschappelijke veranderingen. Dan golden dissidenten niet langer als “onschadelijke dromers”, maar als “anarchistische elementen”, die een gevaar voor het toestand van het gehele systeem werden. Het boeddhisme en nog sterker het christendom, hebben in het verleden en in de tegenwoordige tijd daarentegen dikwijls de bestaande orde ter discussie gesteld en zich voor verandering tot en met revolutie uitgesproken.


5. De uitoefening van godsdienst staat steeds onder controle van de staat

Het streven van de Chinese staatsmacht was er steeds op gericht de controle over alle religieuze activiteiten te hebben en ervoor te zorgen, dat de eenheid van de staat niet door religieuze ideeën of -praktijken beïnvloed werd. Ingrepen van de staat tegen godsdiensten werden steeds uitgelegd als gerechtvaardigde maatregelen om de openbare orde overeind te houden.
Zij zouden zich slechts tegen handelingen richten, die zich ten onrechte beroepen op de vrijheid van godsdienst, en in werkelijkheid illegale, heterodoxe en revolutionaire afwijkingen zouden voorstellen.
Mao Zedong en de Chinese communistische partij staan helemaal in deze Chinese traditie, wanneer zij hun heerschappij rationeel met “marxistische wetenschap” onderbouwden en als moreel element het begrip “dienstbaarheid aan het volk” invoerden en het marxisme en socialisme met Chinees karkater als de enige “orthodoxe” leer neerzetten. De slagzin in die tijd was “dienstbaarheid aan het volk”. Destijds was er een niet gering aantal mensen in het Westen dat het experiment van de culturele revolutie verwelkomde en over het ontstaan van een “nieuwe mens na Mao” sprak.
Het ontwaken na het einde van deze chaotische tijd was voor de generatie van direct getroffene daarom des te pijnlijker en deprimerender. De jaren van de culturele omwentelingen (1966-1976) werden het “verloren decennium” genoemd, dat een “verwonde generatie” van diep teleurgestelde jonge mensen achterliet, die bij het begin van de nieuwe tijd zelf nauwelijks aan de beurt kwamen.

Nieuw in de argumentatie van de communistische regering, en afwijkend van de Chinese traditie, is daarentegen het overnemen van de marxistische kritiek op de godsdienst. Volgens deze door Karl Marx ontwikkelde theorie, zullen de godsdiensten door de opbouw van een socialistische staat vanzelf verdwijnen. Hun voorlopige functie, de mens in moeilijke en benauwde maatschappelijke en economische omstandigheden troost en ondersteuning te geven, ja zelfs opium voor het volk te zijn, zal dan overbodig geworden zijn.
Godsdienst wordt gedefinieerd als het “tevergeefse en verwarrende antwoord van de mens op zijn gevoel van machteloosheid en de angst tegenover de natuurkrachten en de maatschappelijke krachten”. De officiële godsdienstpolitiek in de vroegere tijd van de VR China werd bepaald door deze marxistisch geïnspireerde godsdienstkritiek. Volgens deze zijn alle godsdiensten “opium voor het volk”, die na de inrichting van een socialistische maatschappij, vanwege het ontbreken van haar functie verzachtend en troostend te werken, vanzelf zullen afsterven.
Met het oog op de volkse vroomheid van de Chinese boeren, heeft Mao Zedong in een onderzoek van de boerenbeweging in zijn geboorteprovincie Hunan in 1927 vastgesteld:
“De afgodenbeelden werden in een bepaalde tijd door de boeren zelf opgesteld. De boeren zullen het zelf weten wanneer zij weer willen loskomen. Zij moeten niet voor die tijd worden weggenomen”.

In 1950 heeft premier minister Zhou Enlai voor protestantse christenen het einde van de godsdiensten voorspeld:
“Wij zullen jullie laten studeren en proberen het volk te bekeren. Tenslotte geloven wij beide, dat de waarheid zal overwinnen. Wij zijn van mening dat jullie geloofsopvattingen fout en onwaar zijn, daarom zal het volk, als wij gelijk zullen krijgen, deze verwerpen en zal de kerk ten gronde gaan. Als jullie toch nog gelijk krijgen, zal het volk jullie geloven. Maar, omdat wij er zeker van zijn dat jullie ongelijk hebben gaan wij dit risico aan.”

Van de kant van de partij en van de regering werd ten aanzien van de gelovigheid van het volk onderscheid gemaakt tussen “voorlopig als legitiem geziene religieuze activiteiten” en “feodale bijgelovige praktijken”. Laatstgenoemde praktijken werden vanwege hun potentiële gevaar van de openbare orde, de gezondheid en het welbevinden van hun aanhangers, algeheel verboden en vervolgd. De grondwet van de zogenaamde “Chinese Sowjet-Republiek” uit het jaar 1931 had de vrijheid van godsdienst gegarandeerd en tegelijkertijd het recht op de antigodsdienstige propaganda vastgelegd.
Na de vestiging van de VR China werd in de grondwet uit het jaar 1954 slechts minimaal vastgehouden: “iedere burger van de VR China moet vrijheid van godsdienst genieten”.

In de godsdienstpolitiek heeft de communistische partij van China vanaf het begin onderscheid gemaakt tussen religieuze geloofsinhouden en de organisatie van religieuze instituten. De vormgeving van de geloofsinhouden en geloofsleer liet men verregaand over aan de geloofsgemeenschappen zelf. Maar de religieuze instituten werden aan een strenge reglementering en controle van de zijde van de partij en regeringsorganen onderworpen om te verhinderen dat zij, over de hoofden van hun aanhangers heen, invloed op de maatschappelijke en politieke verhoudingen in het land zouden kunnen nemen.
Maar reeds vroeg in de periode van de communistische heerschappij en vooral tijdens de tijd van de culturele revolutie (1966-1976) werd dan toch met geweld geprobeerd de godsdiensten, zonder onderscheid, als overblijfselen uit vroeger tijden te vernietigen en actief het atheïsme te propageren. Ook de direct na het einde van culturele revolutie in maart 1978 geformuleerde nieuwe versie van de Chinese grondwet, beschreef in art. 46 de godsdienstvrijheid als volgt: “De burgers zijn vrij om in een religie te geloven, vrij niet te geloven en vrij het atheïsme te propageren”.


6. De godsdienstvrijheid in de grondwet van de VR China in het jaar 1982

Een belangrijk punt in de hervormingspolitiek van Deng Xiaoping was het herstel van de vrijheid van godsdienst, die in de verwarring van de culturele revolutie als “oud” en “achterhaald” praktisch werden afgeschaft. Het uitgesproken doel van de hervormers was om alle maatschappelijke krachten, waartoe nu ook de door de staat erkende godsdienstgemeenschappen behoren, bij de opbouw van de socialistische staat in het herbeleven van de “Verenigde-Front-Politiek” mee te laten doen.
In de tot heden toe geldende grondwet van de VR China van 1982 wordt het recht op vrijheid van geloof vastgelegd.
Artikel 36 luidt:
“De burgers van VR China genieten vrijheid van geloof. Geen staatsorgaan, geen maatschappelijke organisatie en geen individu mag burgers ertoe dwingen, zich tot een religie te bekennen of niet te bekennen, noch mogen zij de burgers benadelen die zich tot een religie bekennen of niet bekennen.
De staat beschermt de normale religieuze activiteiten. Niemand mag een geloof ertoe benutten activiteiten uit te oefenen die de openbare orde verstoren, de lichamelijke gezondheid van de burgers beschadigen of het opvoedingssysteem van de staat beperken”.
De religieuze organisaties en aangelegenheden mogen door geen enkele buitenlandse macht worden beheerst.
De door de staat gegarandeerde vrijheid van godsdienst beschermt alle legitieme religieuze activiteiten van de door de staat erkende godsdienstgemeenschappen.
De definitie van wat wel en wat niet onder legitieme activiteiten valt is voorbehouden aan de organen van het bureau van het Staats Godsdienst Toezicht (SARA), zowel op het niveau van de staat, de provincie als de gemeenten. De staat probeert voortdurend op alle niveaus, door steeds weer nieuwe bestuursvoorschriften en regeringsmaatregelen, een volledige controle op alle godsdienstige activiteiten te bereiken.
Voor de christelijke kerken in de VR China betekent dit, dat alleen die religieuze activiteiten die in het kader van de door de staat geregistreerde en gecontroleerde organisaties plaatsvinden, als legitiem gezien worden, terwijl alle organisaties die hierbuiten vallen, bv. die van de zogenaamde ondergrondse kerk, als illegaal gezien worden en daartoe gerechtelijk vervolgd kunnen worden.
De in de grondwet gegarandeerde vrijheid van godsdienst geldt in ieder geval voor leden van de Chinese communistische partij in beperkte mate, omdat zij, zoals Chinese militairen, niet aan religieuze ceremonies mogen deelnemen en niet bij een geloof mogen horen.


7. De praktijk van de godsdienstpolitiek in de VR China

De officiële godsdienstpolitiek wordt in de vorm van richtlijnen, documenten of verordeningen vastgelegd en kunnen door verschillende staatsorganen uitgevaardigd worden.
De belangrijkste documenten komen van het centrale comité van de communistische partij en haar ondercommissies. Daarna volgen documenten van de staatsraad, het volkscongres, de regering en de politieke raadplegingsconferentie. Daarnaast zijn er interne papieren bv. van de veiligheidsambtenaren, waarin concrete procedures vastgelegd zijn en waarin voor gevaarlijke tendensen in de afzonderlijke geloofsgemeenschappen gewaarschuwd wordt.

Geloofsgemeenschappen behoren zich te onderwerpen aan de politieke leiding door de staat en de communistische partij en moeten bepalingen en doelen van staat en partij vervullen om erkenning te krijgen.
De uitvoerende organen op nationaal-, provinciaal- en stadsniveau zijn de kantoren van het Staats Godsdienst Toezicht (SARA). Op het interne gebied van leer en cultus hebben de godsdienstgemeenschappen een zekere onafhankelijkheid die zij zelfstandig kunnen regelen. Maar op alle andere gebieden zijn zij niet verschillend van andere politieke instituten die direct onder beheer van de staat staan. De Chinese staat en de communistische partij volgen deze politiek van een relatieve godsdienstvrijheid enkel uit de pragmatische overweging dat de godsdiensten de politieke doelen van de partij en de staat moeten dienen.
Iedere vorm van religieuze activiteit geldt immers slechts als legitiem, wanneer zij in het kader van officieel door de regering erkende religieuze organisaties plaatsvindt.

Tegenwoordig zijn in de VR China vijf religies officieel erkend:
1. Taoïsme
2. Boeddhisme
3. Islam
4. de Katholieke Kerk
5. de Protestantse Kerk.
Ieder van deze erkende religies is in de Politieke Raadgevende Conferentie van het Chinese Volk, het orgaan van het “Verenigde Front”, vertegenwoordigd, waarin alle politieke, maatschappelijke en godsdienstig relevante instituties onder de leiding van de communistische partij samenwerken.
Taoïsten, Boeddhisten en Moslims hebben elk een nationale Vereniging. De Katholieke Kerk heeft naast de bisschoppenconferentie de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging. De protestantse christenen hebben de Chinese Raad van Christenen en de Patriottische Drie-zelf-beweging van de Chinese Protestanten.
De rol van de “patriottische” organisaties is zowel in de katholieke als in de protestantse kerk omstreden. Officieel zijn het verbindingsorganen van de kerken naar de overheid, maar boven dit contact uit bemoeien zij zich ook met zaken op het vlak van zuiver kerkelijke en theologische aangelegenheden.

De bevoegdheden van de Chinese katholieke bisschoppenconferentie en van de patriottische Vereniging zijn niet duidelijk afgebakend.
Daarnaast ontstond in China zelf en ook in het buitenland de indruk dat leken, tegen de bepaling van het kerkrecht in, leidinggevende taken uitoefenen over klerken en bisschoppen. Dit geldt in bijzondere mate voor Liu Bainian, die als leek officieel slechts de positie van een vervangende voorzitter van de Patriottische Vereniging bezit, maar die tegenwoordig een zeer grote machtspositie bezit, vanwege het overlijden van leidinggevende bisschoppen en de daaruit voortvloeiende vacante plaatsen in leidinggevende posities. Zo zijn de plaatsen van de voorzitter van de Chinese Bisschoppenconferentie en die van de president van de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging (tot zijn dood in april 2007 was dat bisschop Fu Tieshan van Beijing) vacant.

In zijn schrijven van 29 juni 2007 aan de Chinese katholieken, heeft paus Benedictus XVI zeker en duidelijk uiting gegeven aan het feit dat de door de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging in haar statuten gestelde “Principes van onafhankelijkheid en autonomie, van zelfbestuur en democratisch bestuur van de kerk” onverenigbaar zijn met de leer van de kerk. Voor de Katholieke Patriottische Vereniging kwam de brief van de paus op een zeer ongelegen moment, omdat zij juist bezig was het 50-jarig jubileumfeest van deze in 1957 gestichte organisatie te vieren.
Mocht het tot een overeenkomst tussen het Vaticaan en de Chinese regering komen, dan kan ervan worden uitgegaan dat de Patriottische Vereniging haar huidige rol zal verliezen, omdat voor haar volgens het kerkelijk recht in de katholieke kerk geen plaats is.

8. Evolutie van de rol van de godsdiensten in de Chinese maatschappij

De historische blik op de ontwikkeling van ideeën bij de ontmoeting tussen China en het Westen, tussen de Chinese godsdiensten en het Christendom heeft laten zien dat wij tegenwoordig in een tijd leven van omwenteling en opnieuw beginnen. De blik van China op het Westen is minder verkrampt en wrokzuchtig geworden. De economische kracht brengt met zich mee dat China zelfbewust en trots is op zijn cultuur en traditie, en nieuwe ideeën aan het Westen opdoet.

Aan de kant van het Westen en de christelijke kerken is een versterkt bewustzijn met betrekking tot de legitimiteit van culturele en religieuze verscheidenheid ontstaan. De bereidwilligheid tot nieuwe vormen van christelijk leven en kerkbeleving, die in de cultuur zijn opgenomen en aan de betreffende context zijn aangepast, is gegroeid.
De historische gebeurtenissen van de laatste vijftig jaren waren voor de christelijke kerken in China van doorslaggevende betekenis.
De gedwongen scheiding van haar relaties en bindingen met Europese en Noordamerikaanse zusterkerken en missieorganisaties betekende in eerste instantie een bestaanscrisis.
Gelijktijdig deed zich nu ook de grote kans voor het “westerse kleed” af te werpen en eindelijk de weg te gaan van de ontwikkeling van een eigen Chinese vorm van het christen-zijn. De tijd van de vervolging bracht christenen in gevangenissen en werkkampen samen met vertegenwoordigers van andere religies en andere levensvisies.

De door veel christenen getoonde houding van medemenselijkheid, hulpvaardigheid, vertrouwen en moed heeft er sterk toe bijgedragen dat het beeld van de christenen in de Chinese maatschappij verbeterd werd. Met het begin van de hervormingspolitiek en de daarmee samenhangende beperkte godsdienstvrijheid, hebben zij ondanks de grote moeilijkheden het kerkelijk leven nieuw vorm gegeven en haar een “Chinees gezicht” gegeven. Voor zover het hen mogelijk was zijn zij ook weer begonnen hun bijdragen te geven op het gebied van opvoeding, van medische en sociale gezondheidszorg. De verbindingen met buitenlandse zusterkerken werden weer opnieuw opgepakt, waarbij duidelijk een nieuw begin gemaakt werd, terwijl de Chinese christenen hun nieuw verworven zelfstandigheid en eigenheid probeerden te behouden. De protestantse christenen konden bv. hun betrekkingen tot de wereldraad van kerken weer opnemen.

De christelijke kerken profiteren net als de andere religieuze groepen sterk van de wereldbeschouwelijke zoekbewegingen. De groei van de christelijke kerken maakt duidelijk dat het beeld van het Chinese christendom sterk ten goede veranderd is. In de tijd van de vervolging, tijdens de culturele revolutie, zijn de overlevende christenen in de ogen van hun Chinese medeburgers naar voren gekomen als een groep mensen met veel positieve eigenschappen. Chinese christenen hebben de naam mensen met een sterke overtuiging te zijn, integere medeburgers, die zich voor het welzijn van de maatschappij inzetten.
Op zoek naar geestelijke, religieuze en ideologische normen en waarden, stuiten veel Chinezen op de mogelijkheid van het christendom. Sinds enkele jaren melden de christelijke kerken een meer of minder sterke groei. Het meest hiervan profiteren de protestantse kerken terwijl de katholieke kerk vanwege de interne splitsing tussen de officiële en de ondergrondse kerk het zich moeilijk maakt

In de laatste jaren is er voorzichtig een veranderingsweg gebaand, zodat bv. aan protestantse zijde de Amity Stichting op het gebied van gezondheid, opvoeding en publicaties actief kon worden. In de door de Amity Stichting gedreven drukkerij, die met ondersteuning van het internationaal bijbelgenootschap als een van de modernste drukkerijen van de VR China geldt, werden tot nu toe 50 miljoen bijbels en een reeks van andere uitgaven gedrukt in talen van etnische minderheden.

Ook in de katholieke kerk zijn er in de verschillende bisdommen sociale instituten, ziekenafdelingen, vormingsinstituten en drukkerijen. In Shijiazhuang in de provincie Hebei is de in 1998 gestichte sociaal-caritatieve instelling Beifang Jinde actief. Kerkelijke drukkerijen zijn er in Shanghai, Beijing en Shijiazhuang.

De activiteiten van de christelijke kerken op sociaal, medisch en pedagogisch gebied, werden door de communistische partij en regering in eerste instantie met wantrouwen bekeken, daarna gedoogd en ten slotte officieel erkend. In principe geeft men de kerken speelruimte om bepaalde open gebieden in te vullen.
Daar waar de overheid mankementen laat zien of niet actief wil worden, zoals bv. in de verzorging van geestelijk gehandicapte kinderen en in andere sociale brandpunten, wordt aan de kerken speelruimte gegeven, op de zaak in te springen en de gebreken op te vullen.
Algemeen wordt erkend dat niet alleen de christelijke kerken, maar ook de andere religieuze groepen voor de maatschappij belangrijke en positieve bijdragen leveren.

In de media is veel ophef gemaakt over het feit dat de grondwet van de Chinese communistische partij pas sinds de 17e partijdag van 15-71 oktober 2007 voor het eerst melding maakt van het woord “religie”. In paragraaf 19 van de herziene grondwet komt nu de passage voor:
“De partij voert actief beleid om de fundamentele principes van haar werk met het oog op de religieuze aangelegenheden te realiseren, en roept alle religieuze gelovigen op bijdragen te leveren aan de economische en maatschappelijke ontwikkeling”.
Uiteindelijk betekent dit niet veel meer dan het realiseren van het principe van de “drie-plaatsvervangers” van Jiang Zemin, namelijk de aanspraak van de partij zich te bedienen van alle in de maatschappij en voor haar ontwikkeling potentieel belangrijke groeperingen en zich op deze manier te engageren.

Gezien het feit dat de communistische partij van China niet langer de ideologisch leidende kracht in het land is, eerder in een diepe crisis steekt, is de rol van religies in de VR China anders geworden. Voor steeds meer Chinezen worden zij als alternatieven gezien, antwoorden op zingevingsvragen van het menselijk leven en oriëntatie op het handelen te geven. Een teken, dat het toevlucht zoeken bij religies een fenomeen is dat de hele maatschappij doortrekt, is het feit dat talrijke kaderleden van de communistische partij van China zich bij religieuze groepen aansluiten.

De laatste tijd komen uit de partij steeds vaker geluiden, dat het lidmaatschap van een religieuze groep voor partijleden ingeperkt wordt en dat met uitzetting uit de partij wordt gedreigd. De nerveuze reacties van de partijleiding doet vermoeden dat het niet om incidenten gaat maar dat het verschijnsel vaker voorkomt. Dit maakt duidelijk hoe instabiel de ideologische bodem van de officiële partijdoctrine nog is.
De herhaalde campagnes van de partij die beogen het communistische kader atheïstisch te willen laten zijn, laten zien dat de partij geen grip op deze ontwikkeling kan krijgen. Naar de zuivere leer van de Chinese communistische partij moeten alle religieuze organisaties zich streng beperken tot religieuze inhouden en de daarmee verbonden riten en in geen geval voor belangen opkomen die zijn voorbehouden aan de staat.
Lange tijd werd dit zo begrepen, dat religies op het gebied van opvoeding, gezondheidswezen en sociaal werk zich op geen enkele wijze mochten manifesteren en dat zij zich uitsluitend moesten beperken tot zuiver religieuze zaken.

9. Het fenomeen van de “culturele christenen”

De groeiende invloed van het Christendom strekt zich ook uit tot het fenomeen van de zogenaamde “Cultuur Christenen”. Het gaat hier om een ontwikkeling binnen de Chinese intelligentsia, die nauw verbonden is met de snelle ontwikkelingen van de Chinese maatschappij in het algemeen en met de ideologische aftakeling van de Chinese communistische partij in het bijzonder.
Chinese intellectuelen, die als maatschappelijke groep tijdens de culturele revolutie als vijanden van het volk bestreden werden, zijn sindsdien op zoek naar een alternatief voor de marxistisch-communistische ideologie. Het gaat om een beweging onder Chinese intellectuelen, die op zoek is naar filosofische, religieuze en culturele ideeën, die in de plaats komen van de marxistisch-communistische ideologie van de staatspartij. Liu Xiaofeng is een van de leidende persoonlijkheden in deze beweging. Hij bekritiseert het feit dat de leer van de Chinese traditie en die van de communistische ideologie niet in staat is antwoorden op de existentiële vragen naar het wezen van de mens en zijn bestemming te geven. Naast Liu Xiaofeng heeft een reeks andere intellectuelen (aan universiteit en academie voor sociale wetenschappen in Beijing) zich in de discussie gevoegd.
Door de religieuze praktijk van de christelijke kerken, die in hun ogen te ritueel of te bijgelovig voorkomt, worden zij niet aangetrokken. Wel zijn zij in de klassieke werken van christelijke filosofen en theologen op zoek naar ideeën, die voor het wereldbeeld en een ethisch nieuwe begin in China richtinggevend kunnen zijn. Met het groots opgezette vertaalwerk van de christelijke klassieken op het gebied van filosofie en theologie naar het Chinees hebben deze intellectuelen belangrijke impulsen gegeven voor een nieuwe oriëntatie op het wereldbeeld.
In de huidige crisis van zingeving in de Chinese maatschappij, die ontstaan is door het verlies aan ideologische, leidinggevende vermogens in de communistische partij, wordt er door de intelligentsia, maar daarbovenuit door de gehele Chinese maatschappij, sterk gezocht naar alternatieven voor de vergane marxistisch-communistische ideeën.

Doe mee aan de urgente actie per e-mail

Als u zich inschrijft ontvangt u voor elke nieuwe Urgente Actie een email bericht. Als u aan de Urgente Actie wilt deelnemen klikt u op de link in de e-mail en wij verzorgen dan het versturen van uw gepersonaliseerde brief naar de betreffende instanties. U hoeft dus verder niets te doen.


privacy statement